In gesprek met moslims
Wat hebben christendom en islam met elkaar te maken? Twee antwoorden
Onlangs kwamen twee boeken uit over moslims en de islam. Fouad Masri schreef een praktische gids voor evangelisatie onder moslims. Hij richt zich op aanknopingspunten bij moslims. Evert Schut haalt juist de essentiële verschillen tussen de koran en de Bijbel naar voren. Een totaal andere insteek.
Het boek Jezus’ liefde delen is een vertaling van Sharing Jesus with Muslims, geschreven door de in Amerika woonachtige Libanese christen Masri, directeur van The Crescent Project. Evert Schut, die veertig jaar werkzaam was voor Open Doors, publiceerde Het cruciale onderscheid. Beide auteurs hebben vanuit hun christelijke professie jarenlang gereisd door het Midden-Oosten en kennen de moslimwereld en de bronnen van de islam goed. Ze vertellen over hun ervaringen. Beiden zijn overtuigd van het fundamentele verschil tussen islam en christelijk geloof. Toch is het karakter van beide boeken sterk verschillend.
Evangelisatie onder moslims
Het boek van Masri is een praktische gids voor evangelisatie onder moslims en het begeleiden van hen die tot geloof komen. Hij ziet voldoende aanknopingspunten bij moslims om de Christus van de Schriften aan hen bekend te maken en heeft daar grote verwachtingen van.
Schut probeert aan de hand van Bijbel en koran aan te tonen dat islam en christelijk geloof niets met elkaar te maken hebben en stelt het vreselijk onrecht en lijden dat christenen in de wereld van de islam wordt aangedaan, aan de kaak. Evangelisatie onder moslims komt bij hem vrijwel niet ter sprake. Wellicht houdt Schut rekening met een breder (deels seculier) lezerspubliek.
Omwille van een verbetering van de positie van christenen in de wereld van de islam pleit hij ervoor dat christenen en moslims in een interreligieuze dialoog naar elkaar toe bewegen. Hij laat de vraag open of de Chinese taoïstische filosoof Tsjwang-tse een goed advies geeft om boven de verschillen uit te stijgen, de eenheid te zien en daarnaar te leven. Toch is hij pessimistisch of dit de positie van christenen zal verbeteren.
God en Allah
Meteen in het voorwoord kondigt Schut aan dat hij ‘voor het leesgemak’ het woord ‘God’ gebruikt voor zoals wij (christenen) Hem kennen vanuit de Bijbel en het woord ‘Allah’ zoals hij gepresenteerd wordt vanuit de koran. Schut is zich goed bewust dat beide woorden hetzelfde betekenen en dat Arabische christenen het woord Allah gebruiken, omdat er geen ander woord voor God is in het Arabisch. Hij vermeldt zelfs dat Maleisische christenen in de problemen zijn gekomen, omdat de overheid hen verbiedt nog langer het woord Allah in hun Bijbel te gebruiken uit vrees dat moslims daardoor gaan ontdekken wie Allah werkelijk is en de islam verlaten.
Wanneer wij voor het leesgemak op deze manier Allah voor de islam reserveren, is het echter de vraag of we niet meegaan met de argumentatie van moslimoverheden, wat negatieve gevolgen kan hebben voor Arabischtalige christenen. Het hoeft geen betoog dat Masri, als Arabisch christen, in zijn boek hierin niet meegaat.
Cruciale verschillen
Schut gebruikt het onderscheid tussen God en Allah voor zijn stelling dat vanwege de essentiële verschillen tussen koran en Bijbel de boeken niet van dezelfde god afkomstig kunnen zijn. Het DNA is verschillend. Onder evangelische christenen is het gangbaar om te stellen dat achter iedere religie of ideologie een bepaalde geest of afgod schuilgaat als initiator en auteur. Bij de islam is dat dan Allah.
De vraag is of we niet beter kunnen concluderen dat vanwege de cruciale verschillen de koran niet als openbaring van Allah/God kan worden aanvaard en dat we daarom moslims uitnodigen de Bijbel als betrouwbare openbaring te aanvaarden en zo te ontdekken wie Allah werkelijk is. In die lijn hebben bijbelvertalers de eeuwen door gewerkt. Dat zou kunnen worden onderbouwd door verwijzing naar de invloed van onbetrouwbare apocriefe geschriften op de koran, maar dat gegeven krijgt in het boek van Schut nauwelijks aandacht.
Als Schut de verschillen tussen God en Allah uitlegt, doet hij dat op een manier die voor westerlingen vandaag aansprekend is: in de Bijbel wordt God klein, God wordt mens, God laat Zich kruisigen. We raken hier zeker aan het kernverschil met de islam, maar niet alleen moslims, ook oosterse christenen haken bij zo’n manier van spreken af. De Vader en de Geest worden immers geen mens en laten Zich niet kruisigen en Jezus legt met goddelijke overmacht Zijn leven voor ons af. Masri vraagt daarom bij moslims juist ook aandacht voor Gods almacht, heiligheid en rechtvaardigheid, die in het optreden van Jezus zichtbaar worden.
Geloven in Jezus
Masri maakt duidelijk dat het Evangelie van ons vraagt dat we moslims als mensen moeten liefhebben en ex-moslims moeten aanmoedigen niet verbitterd te worden naar hun oude gemeenschap. Bij hemzelf was daar een bekering voor nodig.
Tegelijk benadrukt hij dat we er vanaf het begin op gericht dienen te zijn dat moslims gaan geloven in Jezus als Redder en Heer. Daarom moeten christenen vanaf het begin van de kennismaking met moslims al over Christus spreken en niet blijven steken in politieke, maatschappelijke en algemeen religieuze kwesties of tevreden zijn met gezellig samenzijn. Daarbij stelt Masri de vraag of we zelf Christus kennen en geloofszekerheid hebben. Deze nadruk om zelf met Christus te leven en Hem bekend te maken aan moslims is de rode draad van het boek.
Ik denk dat het boek van Masri om die reden heel waardevol is. Veel christenen worden al blij als ze een vriendelijk gesprek met moslims kunnen hebben en over God kunnen praten. Masri zegt dan: dat is niets bijzonders, dat mag je bij moslims sowieso verwachten en daarom moet je van daaruit Jezus bekendmaken. Masri geeft veel concrete suggesties voor het geloofsgesprek, maar soms is het een korte opsomming waar veel lezers niet genoeg aan zullen hebben. De voorbeelden van zijn persoonlijke ontmoetingen met moslims zijn inspirerend, maar als je zelf geen Arabisch spreekt en niet uit het Midden-Oosten komt, zul je regelmatig een vertaalslag moeten maken.
Internationale betrekkingen
Ondanks dat Schut in zijn nawoord concludeert dat de islam niets met het christendom te maken heeft en er zelfs niet als een sektarische arm van beschouwd kan worden, zou de lezer ook de omgekeerde conclusie kunnen trekken. Schut vraagt namelijk aandacht voor de hypothese dat de islam een voortzetting is van de Ebionieten, een Joods-christelijke sekte waarover we lezen in de tweede tot vierde eeuw. Een schrijver als Eduard Verhoef gebruikt dat argument juist als herwaardering van de islam ten opzichte van het orthodoxe christendom. De islam zou volgens die theorie de ware boodschap van Jezus weer naar voren halen. Sidney Griffith, een autoriteit op het gebied van de geschiedenis van het ontstaan van de islam en de relatie tot het christendom, stelt echter dat hiervoor geen historische grond is.
In het boek van Schut komt een aantal slordigheden voor. De boodschap van de Koran zou 1560 jaar na het Nieuwe Testament zijn gekomen (p.30), terwijl het in werkelijkheid om ongeveer 600 jaar gaat. Mozes zou 600 voor Christus hebben geleefd (p.32). Mogelijk bedoelt hij een redactie van de boeken. De eerste openbaring aan Mohammed zou zijn terug te vinden in soera De Koe (p.123). Dat is soera 2. De noot erbij verwijst naar soera 91, maar waarschijnlijk is soera 96 bedoeld.
Desondanks reikt Schut ons in zijn boek veel aan wat met name voor christenen die zich met internationale betrekkingen bezighouden, heel waardevol is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 2023
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 2023
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's