Tot dijner heughenis hebt gh' ons dit voorgeschreven. Almachtigh Middelaer, doegh'uyt het stervend leven En van 'tvervloeckte Hout, daer ghij voor ons aen hingt En uijt de koude rots ten hogen Hemel gingt. Wel moght ghij 't seggen, Heer, dus sult ghij mijner heugen: Ghij ...