Er is een eentonigheid, die weldadig aandoet. Zooals de eentonige zang uit de smidse, waar al maar op eenzelfde aambeeld gehamerd wordt. Zulk een „eentonigheid" treffen wij ook aan in Hebr. 11. In bonte verscheidenheid laat de schrijver al die gestalten uit „de beeldengalerij des geloofs" aan ...