Wie is het, die zoo hoogh gezeten. Zoo diep in 't grondelooze licht. Van tijt noch eeuwigheit gemeten. Noch ronden, zonder tegenwicht. Bij Zich toestaat; geen steun van buiten Ontleent, maar op Zichzelven rust. En in Zijn wezen kan besluiten Wat om en in Hem, onbewust van wancken, draeit, en wort ...