Onze Belijdenis.
LVIII. Gods Woord leert ons de volstrekte onmacht van den natuurlijken rnensch. Geheel in overeenstemming daarmee is dan ook onze Belijlijdenis als zij zegt, dat wij zelfs geen gedachte kunnen voorstellen. Zelfs na ontvangene genade zijn wij niet bekwaam iets te de ...
Onze Belijdenis.
De zonde, de ontzaglijke klove, die daar tusschen God en mensch, tiusschen Schepper en schepsel bestaat, kan uit tweërlei oogpunt bezien worden.Eenerzijds juridisch en anderzijds medisch.Wanneer wij de zonde juridisch beschouwen dan is zij schuld die geboet moet worden. Wanneer wij ...
Onze Belijdenis.
LX. De mensch staat niet op zichzelf, maar is een zeer klein deel van het groote organisme der meuschheid. Tusschen al die deelen van dat organisme nu is een zeer nauw verband. Vandaar dat de menschen ook in kleiner of grooter kring solidair met elkander verbonden ...
Onze Belijdenis.
LIIIDe Heere werkt alle dingen naar den Raad van Zijnen wil. Er geschiedt dan ook niets buiten Gods voorzienig bestel. Alles, zoowel het kleinste als het grootste, zoowel het minst als het meest aangename dat wij ondervinden, komt ons toe van de hand van Hem", "die alles, bestuurt. Wel kun ...
Onze Belijdenis.
LIV. Nadat onze Belijdenis ons eerst bepaald heeft bij wat God is en hoe Hij werkt, gaat zij nu over om te spreken over wat de Schrift leert aangaande den oorsprong en de natuur van den mensch.Nu wordt er in de Heilige Schrift bijzondere nadruk op gelegd dat ...
Onze Belijdenis.
LV. De mensch geschapen naar het beeld en de gelijkenis Gods. Dat wil dus niet zeggen dat de eerste mensch in een toestand van kinderlijke onschuld verkeerde, dat hij geestelijk zonder eenigen inhoud was. Integendeel de mensch is geestelijk zoowel als lichamelijk v ...
Onze Belijdenis.
XLIII. Wanneer wij aan de bespreking van den derden Persoon van het Goddelijk Wezen genaderd zijn, is vóór alle dingen noodig dat wij den nadruk leggen op Zijn persoonlijkheid. De groote strijd immers, die in den loop der eeuwen over den Heiligen Geest gestreden is ...
Onze Belijdenis.
XLIV. Bij de bespreking van den Heiligen Geest diende eerst opgemerkt te worden dat Hij niet is iets, maar iemand; niet een zaak, maar een Persoon. Voor wie zijn Bijbel kent kan dat aan geen twijfel onderhevig zijn.Bovendien zagen wij dat Hij niet is dezelfd ...
Onze Belijdenis.
XLVI. Wanneer onze Belijdenis heeft gesproken over het Wezen Gods, gaat zij over tot de behandeling van Gods Werken. Op grond van de Heilige Schrift laat zij ons zien hoe de levende God tevens is de werkende God. Dat kan ook trouwens niet anders. Immers wanneer all ...
Onze Belijdenis.
XL VII De wereld heeft dus niet van eeuwigheid bestaan. Zij heeft naar Gods vrijmachtig welbehagen, eenmaal, voor ongeveer zesduizend jaren, een aanvang genomen. God heeft haar toen en met haar het gansche heelal, met alle schepselen, groote en kleine, zienlijke en ...