Onze Belijdenis.
LXXVIII. Is in de voorgaande artikelen gehandeld over den Persoon van den Middelaar, thans zijn we genaderd aan Zijn werk. Over dat werk van Christus ia het verschil van gevoelen niet minder groot dan over Zijn Persoon. Sommigen hebben geleerd en leeren nóg dat het ...
Onze Belijdenis.
LXXVII. Zoo was dan 'tgene Hij stervende in de handen Zijns Vaders bevolen heeft een ware «menschelijke geest, die uit Zijn lichaam scheidde, maar hierentusschen bleef de Goddelijke natuur altijd vereenigd met de menschelijke, ook zelfs als Hij in het graf lag: en ...
Onze Belijdenis.
LXXVI. Eenerzijds mogen de Goddelijke en de menschelijke naturen van den Middelaar niet vermengd, maar anderzijds mogen deze twee naturen ook niet van elkander gescheiden worden. We moeten alléén goed in het oog vatten dat daar onderscheid tusschen de twee naturen ...
Onze Belijdenis.
LXXV. Waaneer er over de twee naturen van Christus gesproken wordt, dan moeten wij altoos bedenken dat wij te doen hebben met een verborgenheid. Dat het Woord vleesch geworden is, dat God geopenbaard is in het vleesch noemt de apostel zoo terecht de verborgenheid d ...
Onze Belijdenis.
LXXIV. De menschelijke natuur van den Middelaar is op verlerlei wijzen miskend ol geloochend geworden. En met name de dagen van de Reformatie dienden oude dwalingen zich in nieuwe vormen aan. Een der gevaarlijkste richtingen die in dien tijd opkwamen, was het Anab ...
Onze Belijdenis.
LXXIII. l^egenover hen die de godheid van Christus loochenen staan de loochenaars van Zijn waarachtige menschheid. Reeds in den strijd die dienaangaande in de eerste eeuwen onzer jaartelling gestreden werd, heeft de Kerk des Heeren met beslistheid het ééne zoowel a ...
Onze Belijdenis.
LXXII. Tijdens Zijn om wandeling op deze aarde heeft de Heiland zelf telkens gewezen op de geheel eenige betrekking waarin Hij tot den Vader stond. Zoo wist Hij reeds op twaalfjarigen leeftgd, dus als knaap, dat Hij moest zijn in de dingen Zijns Vaders. En ook late ...
Onze Belijdenis.
LXXI. Nadat het werkverbond van 's menschen zijde verbroken was, heeft, het den Heere behaagd een nieuw verbond op te richten, n l. het verbond der genade. Dat nieuwe verbond is om daarin onderscheiden van het oude dat thans een Middelaar des Verbonds noodzakelijk ...
Onze Belijdenis.
LXX. De oorsprong van het wezen van hét verbond der genade ligt in het Paradijs. Dit geldt natuurlijk alléén van de openbaring daarvan in den tijd. Immers in den grond der zaak kan het verbond der genade niet losgedacht worden van de uitverkiezing. Wat het besluit ...
Onze Belijdenis.
LXIX. Daar was in den staat der rechtheid een band geweest tusschen God en den mensch. Die band was van 's menschen zijde door de zonde verbroken.Het z.g.n. verbond der werken was daarmede vernietigd. Niet van de zijde Gods, want de Heere blpt zich houden aa ...