Onze Belijdenis.
Lxn. De erfzonde wordt door den Doop niet ganschelijk te niet gedaan, noch geheel uitgeroeid. Inplaats daarvan blijft deze zonde ook in een kind van God nog altoos de onzahge fontein waaruit het onreine water bij voortduring springt. Niettegenstaande de verdoemende ...
Onze Belijdenis.
LXIII. De mensch is diep gevallen en ligt door zijn erf-en dadelijke zonden verloren en afgesneden van God. Het is dus noodig dat hij uit zijn diepen val woer zal opgericht worden. De nood? akcUjkheid der verlossing wordt danooksciiier algemeen erkend. Dat de mensc ...
Onze Belijdenis.
LXIV. De mensch vormt zich van nature een gansch verkeerde opvatting van God. Vele menschen stellen zich den Heere voor als een gansch volmaakt mensehenkind.Zij meenen dat alles wat bij hen maar ten deele is, bij God in volmaaktheid wordt aangetroffen. Zij d ...
Onze Belijdenis.
LXV. Het 9de hoofdstuk van Paulus' brief aan de Romeinen is met het oog op de eeuwige verkiezing Gods van het allergrootste gewicht. De apostel spreekt daar over de verkiezing van het volk van Israël boven de heidenen, en doet dan uitkomen welke rijke voorrechten d ...
Onze Belijdenis.
LXVI. Ook onder de belijders der Gereformeerde Confessie bestaat, wat het stuk van Gods eeuwige verkiezing betreft, eenig verschil van opvatting. Dat verschil raakt niet de reden waarom God Zijn volk heeft uitverkoren. Wat die oorzaak betreft toch staat al wie Gere ...
Onze Belijdenis.
LXVII. De. Heere is barmhartig en die barmhartigheid blinkt zeker daarin het heerlijkst uit dat God van eeuwigbeid 'gedachten des vredes gehad heeft over een volk dat Hij voor eeuwig had kunnen laten yerloren gaan. Maar de Heere is niet alleen barmhartig, Hij is oo ...
Onze Belijdenis.
LXVIII. Het plan Gods tot verlossing van Zijn volk ligt in Gods eeuwigen raad. Maar dat plan Gods was op zichzelf niet genoeg, indien het niet uitgevoerd werd.Trouwens omdat hiet een plan van God was kon het niet onuitgevoerd blijven. Het besluit Gods droeg ...
Onze Belijdenis.
LXIX. Daar was in den staat der rechtheid een band geweest tusschen God en den mensch. Die band was van 's menschen zijde door de zonde verbroken.Het z.g.n. verbond der werken was daarmede vernietigd. Niet van de zijde Gods, want de Heere blpt zich houden aa ...
Onze Belijdenis.
LXX. De oorsprong van het wezen van hét verbond der genade ligt in het Paradijs. Dit geldt natuurlijk alléén van de openbaring daarvan in den tijd. Immers in den grond der zaak kan het verbond der genade niet losgedacht worden van de uitverkiezing. Wat het besluit ...
Onze Belijdenis.
LXXI. Nadat het werkverbond van 's menschen zijde verbroken was, heeft, het den Heere behaagd een nieuw verbond op te richten, n l. het verbond der genade. Dat nieuwe verbond is om daarin onderscheiden van het oude dat thans een Middelaar des Verbonds noodzakelijk ...