Wie stilt de onvreê van dit morrend hart, en brengt tot rust de opstandige gedachten ?
Zult Gij 't niet wezen, Die, als Man-van-smart, eenmaal mijn kruis droeg ? Zult Gij niet verzachten
de stage pijn van onges ...
wanneer in eenzaamheid ik nederlag, der matte leen begeerde rust verleende, heeft uwe lief'lijkheid den gansen dag mijn hart verheugd, zó dat van weelde ik weende.
der uren stille gang viel mij niet lang... het zachte lentelicht omscheen mij ...