Onze Belijdenis.
LXIV. De mensch vormt zich van nature een gansch verkeerde opvatting van God. Vele menschen stellen zich den Heere voor als een gansch volmaakt mensehenkind.Zij meenen dat alles wat bij hen maar ten deele is, bij God in volmaaktheid wordt aangetroffen. Zij d ...
Onze Belijdenis.
LII. Naast de onderhouding Gods onderscheidt de theologie als tweede stuk der Goddelijke Voorzienigheid de z. g. n. medewerking. In dit stuk der medewerking wil men doen uitkomen dat God wel de eerste oorzaak is van al wat is en geschiedt, maar dat de schepselen to ...
Onze Belijdenis.
LIIIDe Heere werkt alle dingen naar den Raad van Zijnen wil. Er geschiedt dan ook niets buiten Gods voorzienig bestel. Alles, zoowel het kleinste als het grootste, zoowel het minst als het meest aangename dat wij ondervinden, komt ons toe van de hand van Hem", "die alles, bestuurt. Wel kun ...
Onze Belijdenis.
LXXVIII. Is in de voorgaande artikelen gehandeld over den Persoon van den Middelaar, thans zijn we genaderd aan Zijn werk. Over dat werk van Christus ia het verschil van gevoelen niet minder groot dan over Zijn Persoon. Sommigen hebben geleerd en leeren nóg dat het ...
Onze Belijdenis.
LXVIII. Het plan Gods tot verlossing van Zijn volk ligt in Gods eeuwigen raad. Maar dat plan Gods was op zichzelf niet genoeg, indien het niet uitgevoerd werd.Trouwens omdat hiet een plan van God was kon het niet onuitgevoerd blijven. Het besluit Gods droeg ...
Onze Belijdenis.
LXI. De zonde is ongerechtigheid. De zonde is dus in de eerste plaats schuld die betaald moet worden, maar de zonde is ook een gebrek dat genezing behoeft. Geen van beiden mag uit het oog worden verloren, want als we dat doen, dan moet onze beschouwing van de zonde ...
Onze Belijdenis.
LXIII. De mensch is diep gevallen en ligt door zijn erf-en dadelijke zonden verloren en afgesneden van God. Het is dus noodig dat hij uit zijn diepen val woer zal opgericht worden. De nood? akcUjkheid der verlossing wordt danooksciiier algemeen erkend. Dat de mensc ...
Onze Belijdenis.
LXXV. Waaneer er over de twee naturen van Christus gesproken wordt, dan moeten wij altoos bedenken dat wij te doen hebben met een verborgenheid. Dat het Woord vleesch geworden is, dat God geopenbaard is in het vleesch noemt de apostel zoo terecht de verborgenheid d ...
Onze Belijdenis.
LXV. Het 9de hoofdstuk van Paulus' brief aan de Romeinen is met het oog op de eeuwige verkiezing Gods van het allergrootste gewicht. De apostel spreekt daar over de verkiezing van het volk van Israël boven de heidenen, en doet dan uitkomen welke rijke voorrechten d ...
Onze Belijdenis.
LXXII. Tijdens Zijn om wandeling op deze aarde heeft de Heiland zelf telkens gewezen op de geheel eenige betrekking waarin Hij tot den Vader stond. Zoo wist Hij reeds op twaalfjarigen leeftgd, dus als knaap, dat Hij moest zijn in de dingen Zijns Vaders. En ook late ...