KOHLBRUGGE
X.
„Het wachten op den Heere of de hoop, is de andere zijde van het geloof, zoodat, als het geloof als 't ware verdwenen is, de hoop opleeft. Geloof, hoop, liefde, deze drie reiken elkaar steeds de hand en ondersteunen elkaar wederkeerig". (20 Predicaties, gehouden in 18 ...
KOHLBRUGGE
XII.
VIII. Over de volharding en de uitverkiezing.
De trouw Gods voert ons tot het leerstuk der volharding. Zij is een voortdurende inwerking van den Heiligen Geest, die midden in alle aanvechting en nood der geloovigen het ware geloof aan Gods trouw schept, die Hij in Zijn woord ...
KOHLBRUGGE
XII. DE KERK. (19)
Allen, die God geroepen, gerechtvaardigd en geheiligd heeft, vereenigt Hij in Zijn gemeente, die ook Kerk heet. Het woord Kerk moet afgeleid worden van kyfiake = den Heere toebehoorend. „Wij gelooven niet aan of in een Kerk, maar wij gelooven, wat de K ...
KOHLBRUGGE
XVIII.
Door den Heiligen Geest zijn alle goede werken aanwezig. „Waar de Heere naar Zijn welbehagen Zijn Heiligen Geest over Zijn volk geeft, den Geest der heiligmaking, daar wordt gewandeld onder de leiding des Geestes. Spoedig is ook de vrucht des Geestes aanwezig, zoo ...
KOHLBRUGGE
X.
De weg Zijner heiligen gaat dikwijls door diepe wateren en door groote aanvechting heen. „Zoo gaat het in het begin van den levensweg, maar ook in den voortgang herhalen zich menigmaal zulke gevoelens van verlorenheid. Soms wel is men alles kwijt, wat men van de liefd ...
KOHLBRUGGE
XVI.
X. De verhouding tot de Wet.
In het voorafgaande is hier en daar de vraag naar de Wet Gods reeds terloops aangeroerd. Wij houden ons nu in het bijzonder met de groote en belangrijke vraag bezig, wat de juiste verhouding van een christen ten opzichte van de Wet is.
Heeft ...
KOHLBRUGGE
XIII.
„De heiligmaking des Geestes is levend, machtig, onwederstandelijk en leidt tot het leven, is eenvoudig en waar, terwijl de heiligmaking des vleesches dweepziek, verzonnen en valsch is. Wij worden onderwezen, dat wij in de heiligmaking zijn, en wel in een krachtige ...
KOHLBRUGGE
VII.
Dit leven uit God is vrij en laat zich niet door allerlei voorschriften en bezwaren van het verstand en de wet belemmeren. „Het staat in de macht des Heiligen Geestes en laat zich niet insnoeren in leerbegrippen en regelen van de menschelijke rede en het vleeschlijk ...
KOHLBRUGGE
XIII.
Zoo past de leer van Gods vrije, eeuwige verkiezing der genade geheel in het kader van de leer des heils en der zaligheid, als men haar overeenkomstig het evangelie opvat. Zij stelt den mensch op de plaats waar hij behoort en geeft den moedeloozen geloovige een rij ...
KOHLBRUGGE
III.
Zóó krijgt de Wet Gods voor de geloovigen in en door Jezus Christus, den Borg, een gansch andere beteekenis. Het is de heilige liefdewil Gods, om Zijn gevallen schepsel door het geloof in Christus te redden en te bewaren. „De Bondswoorden of geboden Gods waren een g ...